‘Wie blijft in Gods liefde gaat niet de voorgeschreven weg die door de
wereld als voortreffelijk wordt gezien, maar hij gaat zijn eigen,
onbegrijpelijke, vaak dwaze wegen.’
Dietrich Bonhoeffer
Taalgeleerde prof. M. Monier-Williams (Boden professor Sanskriet) zei na tweeënveertig jaar oosterse boeken bestudeerd te hebben (waarschijnlijk langer dan wie ook): ‘Stapel ze op aan de linkerkant van uw bureau, maar leg uw Bijbel aan de rechterkant, helemaal alleen, met een wijde ruimte ertussen, want er bevindt zich een kloof tussen de Bijbel en de zogenaamde heilige boeken van het Oosten, die de één totaal, hopeloos en voor eeuwig van de anderen scheidt (...) een werkelijke kloof die niet overbrugd kan worden, door welke godsdienstwetenschap dan ook.’ Zo uniek is de Bijbel. En hij deed deze uitspraak nadat hij zijn eerdere conclusie - de gedachte dat de Bijbel de mens tot de juiste religie bracht - had opgegeven (All About The Bible, Sidney Collet, Fleming H. Revell Company, Westwood NJ, 1958, pag. 314-315).
Sir Walter Scott vroeg op zijn sterfbed aan zijn vriend Lockhart, of deze hem wat wilde voorlezen. Toen deze - ziende op de 20.000 boeken die de wanden van Scotts kostbare bibliotheek vulden - hem vroeg welk boek hij graag wilde, antwoordde Scott: ‘Moet je dat nog vragen? Er is maar één boek.’ En dus las Lockhart hem voor uit de Bijbel, het boek met de woorden van eeuwig leven (ibid. pag. 323).
Het unieke van zijn ontstaan
Ik wil u zeven unieke kenmerken van de Bijbel laten zien, en dan mag u daar zelf uw conclusies uit trekken. Ten eerste kan niemand ontkennen dat de Bijbel uniek is door de manier waarop hij ontstond. Neemt u eens een willekeurig boek en kijk hoe het tot stand kwam. Gewoonlijk gaat het zo, dat iemand besluit een boek te schrijven, daarvoor materiaal verzamelt, een schema voor het boek ontwerpt, de inhoud schrijft of dicteert, en het dan laat drukken. Als het een boek is waaraan een flink aantal schrijvers meewerkte, moeten zij eerst bij elkaar komen, een plan ontwerpen dat aangeeft hoe het boek eruit moet komen te zien, afspreken welke bijdrage ieder van hen aan het boek zal leveren, en bij voorkeur zullen er ook nog één of meer redacteurs zijn die van alle bijdragen een samenhangend geheel maken. Maar de Bijbel is in dit opzicht totaal uniek: hij werd geschreven door maar liefst veertig schrijvers die geen enkele afspraak met elkaar hadden gemaakt. Dat kon ook niet, want zij schreven het boek in ongeveer 1600 jaar.
Het is echt een wonder hoe de Bijbel gedurende vijftig generaties langzaam doorgroeide. Zonder enig zichtbaar plan of ontwerp werd van eeuw tot eeuw het ene stuk bij het andere gevoegd tot het boek compleet was. De mensen die de Bijbel schreven, kwamen uit verschillende milieus en culturen. Daar waren onder andere Mozes de politicus (opgeleid in de wijsheid van Egypte), Jozua de generaal, Salomo de koning, Amos de herder, Nehemia de hoveling, Daniel de eerste minister, Petrus de visser, Lucas de arts, Mattheüs de belastingambtenaar en Paulus de rabbijn. Zij schreven op heel verschillende plaatsen en onder totaal verschillende omstandigheden. Mozes schreef in de woestijn, Jeremia in een kerker, David in de heuvels en in een paleis, Paulus in de gevangenis, Lucas op reis, Johannes als balling op het eiland Patmos, anderen onder de spanningen van een militaire veldtocht. Zij schreven in verschillende gemoedsstemmingen: de één in grote blijdschap, de ander in verdriet en wanhoop. Zij schreven in drie verschillende werelddelen: Azië, Afrika en Europa. Zij schreven in drie talen: het Oude Testament grotendeels in het Hebreeuws en kleine delen in het (verwante) Aramees en het Nieuwe Testament in het Grieks. En uit al deze verschillende bronnen en tijden ontstond één boek.
Toen Mozes stierf, waren de eerste vijf delen klaar; er waren weer een paar rollen bijgekomen toen David regeerde. In de dagen van de schriftgeleerde Ezra, kort na de Babylonische ballingschap van het Joodse volk, was het Oude Testament letter na letter, woord na woord, zin na zin, bijna helemaal klaargekomen. En toen het klaar was, vier eeuwen vóór onze jaartelling, was een boek ontstaan dat er vandaag nog precies zo uitziet. Het ontzag voor dit zogenaamde Oude Testament was zo groot dat, zoals de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus zei, niemand in de loop der eeuwen de moed had gehad er iets aan toe te voegen of van af te doen. Het ontstaan van het Nieuwe Testament is zo mogelijk nog wonderlijker dan dat van het oude. Christus zelf heeft, voor zover wij weten, nooit ook maar één regel als goddelijke openbaring geschreven, en zijn discipelen zullen ongetwijfeld, als goede Israëlieten, teruggedeinsd zijn voor de vermetele gedachte ook maar één woord aan het Oude Testament toe te voegen.
Zelfs vijftig jaar na de geboorte van Christus was er waarschijnlijk nog geen letter van het Nieuwe Testament geschreven. Maar dan gebeurt het wonder. Zonder enig bekend vooropgezet plan ontstaan de delen van het Nieuwe Testament, door heel verschillende mensen, vaak ver van elkaar vandaan. Hier ontstaat een levensbeschrijving van Christus, daar ontstaat een brief, verderop wordt een prachtig essay geschreven (zoals de zgn. brief aan de Hebreeën er eigenlijk één van is), weer ergens anders ontstaat een nieuwtestamentisch profetisch werk. Al deze delen gaan rond en worden door groepen christenen verzameld, die nauwelijks problemen hebben met de vraag welke boeken nu wel in deze collectie thuishoren en welke niet. Hun eerbied voor het geschrevene is zo groot dat het Nieuwe Testament onmiddellijk door bijna iedereen als zodanig erkend wordt en bijna geen mens de moed heeft er iets aan toe te voegen of vanaf te doen.
En let wel: de vier verschillende evangelisten gingen niet eerst bij elkaar zitten om door ernstig gebed en overleg vast te stellen dat Mattheüs over Christus zou schrijven als de Koning, Marcus over hem als Dienaar en Profeet, Lucas als de ware Mens en Johannes als de Zoon van God. Niets daarvan. Ook kwamen andere schrijvers niet bij elkaar om bijvoorbeeld vast te stellen dat Paulus en Johannes meer over de leer van het christendom (en dat elk vanuit een specifieke gezichtshoek) en Jacobus en Petrus meer over de praktijk van het christendom zouden schrijven. Geen sprake van. Zij schreven vanuit een diep beleefde behoefte een bepaald onderwerp in het licht te stellen - maar toen al hun werken klaar waren, was er een wonderlijke eenheid ontstaan.
Het unieke van zijn eenheid
Dit punt vloeit direct voort uit het unieke van het ontstaan van de Bijbel. Hoe konden tientallen schrijvers, gedurende tientallen generaties, vanuit zulke totaal verschillende achtergronden en omgevingen, zonder enig overleg een werk schrijven waarvan de eenheid zó volmaakt is? Laten we de zaak eens omdraaien: stel dat tien van de beroemdste schrijvers op aarde, met dezelfde leefwijze, van dezelfde generatie, met dezelfde cultuur, dezelfde opvattingen, dezelfde plaats, dezelfde gemoedsstemming en dezelfde taal, iets zouden schrijven over slechts één controversieel onderwerp - zou het geschrevene dan met elkaar overeenstemmen? Dat is onmogelijk. Maar hoe kan het dan dat dit met de Bijhel wèl het geval is? En let wel: de Bijbel spreekt over honderden controversiële onderwerpen (onderwerpen waarover tegengestelde meningen blijken te bestaan als ze genoemd of besproken worden).
De bijbelschrijvers hebben het over geschiedenis, theologie, filosofie, over de kosmos, de natuur, de mens; zij schrijven ‘riskante’ profetieën, levens- en reisbeschrijvingen. Zij aarzelen niet de moeilijkste en diepzinnigste onderwerpen aan te snijden, en ze konden daarover onmogelijk overleg met elkaar plegen. Maar vanwaar dan deze harmonie en continuïteit van de Bijbel? Mensen hebben vaak gemeend verschillen en tegenstrijdigheden gevonden te hebben (we zullen er nog verschillende tegenkomen), maar altijd bleek dat ze niet nauwkeurig lazen of de context en achtergrond van het geschrevene vergaten. Waar zij (dikwijls heel naïef) tegenstrijdigheden meenden te zien, bleken vaak verschillende aspecten van eenzelfde zaak genoemd te worden die elkaar prachtig aanvulden.
Alle strijd over de Bijbel heeft er alleen maar toe geleid dat zijn perfecte harmonie nog scherper uitkwam. Natuurlijk beweren we hier dingen die in feite nog bewezen moeten worden. Maar we moeten nu eenmaal ergens beginnen, en de harmonie van de Bijbel kan pas echt blijken na een grondige studie van de Bijbel. De lezer zal hier zelf op ontdekkingstocht moeten gaan. En hij zal ontdekken wat miljoenen vóór hem ontdekten: de Bijbel is een wonderlijke eenheid. Hij is maar niet een simpele bloemlezing van verschillende werkjes, maar er is een eenheid die het geheel samenbindt. Dat is ook belangrijk voor de uitleg van de Bijbel. Net zoals elk deel van het menselijk lichaam alleen behoorlijk verklaard kan worden in samenhang met de rest van het lichaam, zo kan elk deel van de Bijbel alleen maar behoorlijk uitgelegd worden in samenhang met de hele rest van de Bijbel. Er is nauwelijks een regel in de bijbeluitlegkunde die zo vaak overtreden wordt als deze (dat even terloops).
De eenheid van de Bijbel blijkt natuurlijk nergens duidelijker dan uit de ‘rode draden’ die door het hele boek been lopen. Van Genesis tot Openbaring gaat het om de grote vragen: ‘Wie is God?’ en ‘Wie is de mens?’ Daarop volgt de gewichtige vraag: is er een verbinding tussen de mens en God mogelijk, en zo ja, hoe? Het unieke van de Bijbel is, dat hij voor de beantwoording van deze vraag tenslotte niet op een godsdienstig programma, een reeks van religieuze verplichtingen wijst - een mens kan namelijk nooit helemaal beantwoorden aan Gods eisen -, maar op een Persoon: Jezus Christus is de ware en enige Weg voor de mens tot God. Het hele Oude Testament wijst in feite, hetzij in beelden hetzij in directe voorzeggingen, naar deze Persoon, en het Nieuwe Testament toont ons de vervulling van die voorzeggingen en de betekenis en gevolgen van de komst van Christus. In deze eenheid van zijn thematiek is de Bijbel uniek. Alleen daardoor is het ook mogelijk gebleken uit de Bijbel een samenhangende en consequente christelijke leer op te bouwen.
Het unieke van zijn actualiteit
Er zijn duizenden boeken op aarde geschreven die binnen één generatie totaal vergeten waren. Er zijn veel boeken uitgegeven die een grotere belangstelling genoten hebben. Maar hoeveel boeken zijn er die al eeuwen oud zijn en toch nog zeer regelmatig en met grote belangstelling door zeer veel mensen gelezen worden? Welke boeken uit de Middeleeuwen worden nog op grote schaal gedrukt en door een breed publiek gelezen? Welke klassieke werken worden, behalve door classici en geplaagde middelbare scholieren, nog regelmatig door veel mensen gelezen? En al zóu dat gebeuren, dan zou dat meer uit historische interesse gebeuren, dan omdat zulke boeken tegenwoordig zo enorm actueel zijn. Waarom is de Bijbel dan zo anders? De Bijbel is niet zomaar een oud boek; we geloven rustig te kunnen stellen dat bepaalde gedeelten ervan zelfs tot de oudste bewaard gebleven geschriften behoren die de mensheid bezit. En toch worden ze door miljoenen mensen verslonden. Niet alleen maar uit historische interesse (die heeft de massa niet zozeer), maar ook omdat de mensen weldegelijk het belang van die Bijbel voor het leven in deze tegenwoordige tijd aanvoelen.
De Bijbel werd duizenden jaren geleden geschreven, bijna geheel door mensen die tot hetzelfde onopvallende volkje in het Midden-Oosten behoorden en voor het grootste gedeelte in een tot voor kort dode taal. Hoe kan een dergelijk boek nog steeds miljoenen mensen boeien? Nederlanders lezen voornamelijk Nederlandse boeken, Duitsers voornamelijk Duitse, enz. Maar de Bijbel is geschreven in talen die bijna niemand in West-Europa kent - en toch kent een groot deel van de West-Europeanen hem vrij goed. De Bijbel is een boek dat in elke periode in de wereldgeschiedenis past, of het nu een tijd van oorlog of van vrede was, of het nu de donkere tijd van de Middeleeuwen of de moderne eeuw van uitvindingen en techniek was, miljoenen mensen hebben op dat boek geteerd en gesteund en zijn er door geholpen en bemoedigd. Merkwaardigerwijs is dat niet verminderd naarmate wetenschap en techniek voortschreden, maar is de verspreiding van de Bijbel alleen maar toegenomen.
Velen hebben uit eigen ervaring getuigd dat de Bijbel altijd nieuw en verfrissend blijft. Toen men Daniel Webster vroeg: ‘Van welk gedeelte van de Bijbel houdt u het meest?’ antwoordde hij: ‘Van het gedeelte dat ik het laatst heb gelezen.’ De opmerkelijke actualiteit van de Bijbel is ook universeel. Het is het enige boek ter wereld dat door mensen van iedere klasse en elke leeftijd gelezen wordt. Dat ontwikkelde mensen zelden met voldoening een kinderboek lezen, ligt net zo voor de hand als dat een kind niet zo snel een boek over wetenschap of filosofie zal bestuderen. Maar de Bijbel is anders. Hij wordt voorgelezen aan de kleuters en gelezen door de bejaarden. Kleine kinderen kunnen de verhalen en lessen van de Bijbel begrijpen, terwijl geleerden zich verwonderen over de diepzinnigheid van zijn inhoud. Een dergelijk boek is hoog verheven boven alle andere wereldliteratuur.
Het literaire gehalte van de Bijbel
Het is eigenlijk heel merkwaardig te bedenken dat de Bijbel niet ontstond in Alexandrië (Egypte) of Athene (Griekenland) - centra van wetenschap en beschaving, en dat de schrijvers vaak onontwikkelde mensen waren. Zij waren geen grote geleerden, ja, zij spraken wat hun eigen taal betreft soms niet eens het ‘algemeen beschaafd’. Petrus sprak het dialect van zijn streek. De Joodse leiders verbaasden zich erover dat de apostelen (onder wie enkele van de latere schrijvers van het Nieuwe Testament) ongeschoolde en eenvoudige mensen waren - bepaald niet de personen van wie men literaire meesterwerken verwacht.
En toch is de Bijbel een verzameling van literaire meesterwerken geworden, en dat niet alleen voor de oude Hebreeën of de vroege Griekssprekende christenen, maar ook in de talen van alle beschaafde volken ter wereld. Hoewel geschreven door mensen van een klein en behoudend volk - beslist geen volk dat nu zoveel belangstelling voor andere volken of voor wereldzending had! - is hun boek een wereldboek dat niet de beperktheid van een kleine ‘antieke’ groep mensen vertoont, maar in de talen waarin het vertaald werd, onmiddellijk het grootste literaire werk in die taal werd. Dat is werkelijk uniek. Het Nederlands dat wij spreken, is gevormd door en ontwikkeld uit de grootse literaire taalschat van de Statenvertaling. Het Hoogduits is helemaal ‘gemaakt’ door de oude Lutherbijbel. Het Engels heeft zijn beslag gekregen door de taal van de Authorised Version (de King James-vertaling).
Thomas Carlyle schreef over de inhoud van de Bijbel: ‘Dit is de prachtigste proeve van literatuur die ooit uit een menselijke pen gevloeid is!’ En hij, zelf een meester van de pen, kon daarover oordelen!
De grote Engelse historicus J. A. Froude, hoewel geen christen, heeft gezegd: ‘De Bijbel is in zichzelf een wereld van literatuur, de zeldzaamste en rijkste op alle gebieden van onze kennis.’
Sir William Jones, volgens de Encyclopedia Britannica een van de grootste taalkundigen en kenners van het Oosten die Engeland ooit heeft voortgebracht, schreef op de laatste bladzijde van zijn Bijbel: ‘Ik heb deze Heilige Schriften regelmatig en aandachtig gelezen en ben van mening dat dit boek (...) meer verhevenheid en schoonheid, meer zuivere zedelijkheid, belangrijker geschiedenis en schonere passages van poëzie en welsprekendheid bevat, dan in alle andere boeken gevonden kan worden, in welke tijd of taal zij ook geschreven zijn.’
En volgens (de niet-christen) Arthur Brisbane bevat de Bijbel ‘schitterende voorbeelden van grote literatuur in elke vorm: lyrische poezie - de Psalmen; epische poëzie - Genesis; dramatische poezie - Job; historische vertelkunst - de boeken van Samuël, Koningen en Kronieken; landelijke idylle - Ruth; vaderlandsliefde - Esther en Daniël; praktische wijsheid - Spreuken; filosofische bespiegelingen - Prediker; hartstochtelijke welsprekendheid - Jesaja; korte verhalen - de Evangeliën; brieven - de verschillende epistels van het Nieuwe Testament; mystieke vervoering - de Openbaring.’ Een dergelijk letterkundig meesterwerk kon niet nalaten grote invloed uit te oefenen op de wereldliteratuur. Sinds 1900 jaar bestaat er één lange stroom literaire werken die door de Bijbel geïnspireerd is: bijbelse woordenboeken, encyclopedieën, lexicons en atlassen, maar ook duizenden werken over theologie, godsdienst-onderwijs, hymnologie, zending, bijbelse talen, kerkgeschiedenis, religieuze biografieën, stichtelijke werken, commentaren, godsdienstfilosofische-, apologetische- en dogmatische werken, enzovoort, enzovoort. En dan hebben we het nog niet eens over de duizenden gedichten, novellen, romans, liederen, mirakelspelen en toneelstukken die de Bijbel als inspiratiebron gebruiken.
Van de hoofdpersoon in de Bijbel, Jezus Christus, schreef Yale-historicus Kenneth S. Latourette: ‘Het is een aanwijzing voor Zijn grootheid, voor de uitwerking die Hij op de geschiedenis gehad heeft, en vermoedelijk voor het raadselachtige mysterie van Zijn wezen, dat geen ander wezen op deze planeet ooit zo’n geweldig volume aan literatuur onder zo vele volken en talen heeft voortgebracht, en dat de stroom niet weg-ebt maar nog steeds blijft toenemen.’