‘Think not that thou canst sigh a sigh, and thy Maker is not by;
Think not that thou canst weep a tear, and thy Maker is not near.’
William
Blake
Een kort onderzoek naar de bron van de psychologie van Carl Gustav Jung, de Zwitserse psychoanalyticus wiens gedachten helaas ook ingang gevonden hebben in het pastoraat (in de zogenaamde innerlijke genezingsbeweging: Agnes Sanford, Morton Kelsey, Leanne Payne enzovoort). Zie voor enkele kritische biografieën: C. G. Jung - The Haunted Prophet, door Harvard professor Paul J. Stern, en C. G. Jung - Der Getriebene Visionär, door Els Nannen. Twee onmisbare boeken over Carl Jung en zijn beweging zijn van Richard Noll: The Jung Cult en The Aryan Christ: The Secret Life of Carl Jung.
Het is helaas een wat duister en deprimerend stukje, dus ik plaats het met gemengde gevoelens ... uit Charisma uit de Diepte, door Rob Matzken:
Uit
het leven van Carl Gustav Jung (1875-1961)
Uit het leven van de jonge Jung springen twee gebeurtenissen naar voren. Ik ga hierop in omdat die tekenend zijn voor het denken en het latere leven van Jung en zijn invloed op de psychologie. In tal van variaties treffen wij die aan in moderne vormen van pastoraat, bijvoorbeeld de dreiging van ‘zonde tegen de Heilige Geest’ of de lokroep van ‘radicale toewijding’. Het is heel typerend hoe boze geesten soms het initiatief nemen om reeds vroeg in het leven een mens tot instrument van hun denken te maken door het zaad te zaaien waarop zij later, als vrome geesten, terugkomen om van die akker hun oogst binnen te halen.
Aan
het eind van zijn leven, toen hij zijn autobiografie schreef, herinnerde Jung
zich nog heel goed zijn eerste droom die zozeer de richting van zijn leven
bepaalde. Hij droomde, toen hij vier
jaar oud was, hoe hij in een weide stond: ‘Plotseling ontdekte ik een donkere,
rechthoekig gemetselde opening in de aarde, die ik daar nog nooit eerder had
gezien. Nieuwsgierig liep ik er naartoe, keek naar beneden en zag een stenen
trap die in de diepte voerde. Aarzelend en bevreesd liep ik naar beneden. Daar
was een ingang, een ronde boog, afgesloten door een groen gordijn (...). Benieuwd
naar wat er achter zou liggen, schoof ik het opzij en zag in een schemerig licht
een ongeveer tien meter lange rechthoekige ruimte (...). In het midden liep een
rode loper van de ingang tot aan een laag podium. Daarop stond een heel kostbare
gouden troon, zoals in een sprookje (...), en daar stond iets op. Het was een
reusachtig gedrocht dat bijna tot aan de zolder reikte (...). Het ding bestond uit
huid en levend vlees; aan de bovenzijde zat een soort kegelvormig hoofd, zonder
gezicht en zonder haar. Alleen helemaal bovenin de schedel zat één enkel oog,
dat onafgebroken naar boven staarde. Boven het hoofd hing een zekere lichtglans.
Ik stond verlamd van schrik. Op dat ondraaglijke moment hoorde ik plotseling
boven me mijn moeders stem, het leek alsof het geluid van buiten kwam. Ze riep:
‘Ja, kijk maar eens goed naar hem. Dat is de menseneter.’ ‘Deze droom
heeft me jarenlang beziggehouden. Pas veel later ontdekte ik dat het
merkwaardige gedrocht een fallus was, en pas tientallen jaren later dat het
hier om een rituele fallus ging.’ Deze betekenis gaf Jung, die inmiddels door
Freud beïnvloed was, later aan de droom van zijn kinderjaren, waarin hij toen
de lichtgestalte als de menseneter zag. Iets heel moois, dat tegelijk iets
verschrikkelijks was: die indruk zou hem altijd bijblijven. In de oude religies
van het Verre Oosten, in Egypte, bij de Grieken, Kelten en Germanen, waren
fallische godheden namelijk de uitbeelding van het scheppende, datgene wat leven
geeft. Ook de Bijbel kent dit dualistische verschijnsel, namelijk Satan als de
engel des lichts en de mensenmoorder van den beginne (2 Kor. 11:14; Joh. 8:44).
Jung sprak dan ook later van zijn ‘scheppingsdemon’ waaraan hij
‘uitgeleverd’ en door wie hij ‘geboeid’ was, in de dubbele betekenis van
het woord. ‘Door deze kinderdroom werd ik ingewijd in de geheimen van de
aarde. Ik werd als het ware begraven in de aarde, en het duurde jarenlang
voordat ik weer tevoorschijn kwam. Ik weet nu dat dit gebeurde om de grootst
mogelijke mate van licht in de duisternis te brengen. Het was een soort
inwijding in het rijk der duisternis. Destijds heeft mijn geestelijk leven zijn
onbewuste aanvang genomen.’ Hier zien wij hoe verschillend iemand kan spreken
over zijn ‘geestelijk leven’. Wij kunnen veeleer zeggen dat met deze droom
Jungs persoonlijke verbondenheid met het rijk der duisternis begonnen is. Op
jungiaanse wijze werd de kinderdroom later (door Aniela Jaffé) als volgt
geduid: De ‘initiatie in het rijk der duisternis’, die Jung in zijn droom
beleefde, is te zien als een soort noodlotsbestemming. Daarin wordt de
‘scheppings-impuls’ van Jung in eerste instantie gericht op de negatieve
pool van de psychische tegenstellingen (goed-kwaad enz.). Dit gefocust zijn op
de donkere aspecten van de ziel is kenmerkend voor het begin van zijn vorsingen
en geschriften. Deze inwijdingsdroom toont aan hoe Jung zijn demonische roeping
beleefde: als een roeping door het rijk der duisternis om een esoterische
psychologie en psychotherapie te ontwerpen en te verbreiden. Hiermee wordt
bedoeld een diagnose en therapie van de ziel, die naar binnen gericht is en
waarbij de grenzen van het occulte worden overschreden via een handeling van
initiatie of inwijding. Het gaat er nu om dat de vermeende ‘psychische
duisternis’ verlicht moet worden, een duisternis die zich zou bevinden in de
mens, en wel als de schaduw in het zogenaamde collectieve onbewuste, waarop
later uitvoerig wordt ingegaan. Wanneer Jung over zijn kindertijd vertelt, valt
het op dat hij als kleine jongen volkomen hulpeloos was tegenover de geestelijke
ervaringen die hem overkwamen. Hij kreeg geen enkele begeleiding, noch van zijn
moeder, noch van zijn vader. De wereld van de volwassenen leek volslagen
onkundig van het feit dat ook een klein kind gruwelijke dromen en angsten kan
hebben en een doelwit kan vormen voor het rijk der duisternis. Deze kinderdroom
noemde Jung naderhand zijn ‘oeropenbaring’. Tezamen met de instelling van
zijn moeder (zij was praktizerend spiritiste) werd hiermee bij het jonge kind
een ‘wisseling van paradigma’ (verandering van levens-instelling)
teweeggebracht, en wel in een tweetal opzichten:
een ongezonde, grote belangstelling voor alles wat te maken heeft met het rijk der geesten, waardoor hij open kwam te staan voor allerlei paranormale verschijnselen;
een afwijzende houding tegenover Jezus Christus, die hij als zoon van een predikant vanuit de prediking en catechese kende.
Jung was tegelijk verschrikt en geboeid door zijn ‘onderaardse god’, die hij beschouwde als de tegenspeler van Jezus Christus: De duiding als oog, met daarboven klaarblijkelijk een lichtbron, verwijst naar de herkomst van het woord fallus (fallus = lichtend, glanzend). De fallus in deze droom lijkt in ieder geval een onderaardse god te zijn waarover men niet spreekt. ‘En als zodanig is hij me mijn hele jeugd bijgebleven, en ik werd altijd aan hem herinnerd als er wat te dierbaar over de Here Jezus Christus werd gesproken. Die ‘heer Jezus’ is nooit helemaal werkelijkheid voor mij geworden, ook nooit helemaal acceptabel of sympathiek, want altijd dacht ik weer aan Zijn onderaardse tegenspeler als een verschrikkelijke openbaring die ik niet zelf heb gezocht. (...) Later, tot aan mijn belijdenis toe, heb ik me de grootste moeite gegeven om me te dwingen tot de vereiste positieve houding tegenover Christus. Maar ik ben er nooit in geslaagd mijn heimelijk wantrouwen te overwinnen.’ Het is heel typerend dat Jung de naam ‘Here Jezus’ altijd op deze vreemde manier (‘heer Jezus’) en met een kleine letter bleef schrijven. Door zijn inwijdingsdroom had Jung een uitgesproken afkeer van de Here Jezus Christus gekregen, en dat bleef zo zijn leven lang. En toch bleef hij in wezen diep-religieus: ‘Terwijl het mij steeds meer onmogelijk werd om positief te staan tegenover de ‘hèr Jezus’, herinner ik mij dat vanaf elf jaar het gods-idee mij steeds meer ging interesseren.’ Samen met een uitgesproken afkeer van de Here Jezus werd bij Jung een onverklaarbare belangstelling voor de Aziatische religies gewekt: ‘Uit de tijd dat ik nog niet lezen kon, herinner ik me nog dat ik mijn moeder zeurde om me voor te lezen uit de ‘Orbis Pictus’, een oud kinderboek met voorstellingen over exotische godsdiensten, in het bijzonder over de Indische. Er stonden afbeeldingen in van Brahma, Vishnu en Shiva, die mij met onuitputtelijke belangstelling vervulden. Mijn moeder vertelde later dat ik ze steeds weer opnieuw wilde zien. Ik had daarbij een duister gevoel van verwantschap met mijn ‘oeropenbaring’, waarover ik nog nooit met iemand gesproken had.’ Jung leerde later dat de vroegste droom die men zich kan herinneren, in de regel het grondpatroon bevat van de toekomstige persoonlijkheid en de lotsbestemming. Hieruit blijkt ook de nauwe verwantschap tussen zijn psychologie en psychiatrie en de Aziatische religies, die hem bijzonder gingen boeien en die ook het grondpatroon zouden worden van zijn diagnoses en therapieën.
Jungs
zogenaamde godservaring en godslastering (1887)
Het
twaalfde levensjaar werd voor Jungs latere leven van doorslaggevende betekenis.
Al zijn eerdere ervaringen hadden hem open doen staan voor de wereld van het
occulte. Maar nu werd hij er helemaal in betrokken: alle banden met het verleden
werden doorgesneden en een nieuwe wereld ging voor hem open. Het was een
angstwekkende ervaring, maar van een overweldigende kracht en lotsbestemming. De
aanleiding hiertoe lijkt veel op de wijze waarop in de heidenwereld een jongen
tot sjamaan (medicijnman, toverdokter) van zijn stam wordt geroepen, maar
dan op een Europese manier. In deze periode had Jung last van een
‘jeugdneurose’. Het kwam voor dat hij flauwviel wanneer hij naar school
moest gaan, en ook wanneer hij van zijn ouders zijn huiswerk moest maken. Op een
dag hoorde hij iemand het woord ‘epilepsie’ noemen, wat hem erg aan het
schrikken maakte en hem deed inzien dat zijn vermeende ziekte niet anders was
dan een vlucht voor de school en het huiswerk. Nadat hij een half jaar van
school had verzuimd en vrij in de natuur kon rondlopen en dagdromen, kwam hij
plotseling tot bezinning en begon weer hard te blokken. Prompt kwam er weer
zo’n aanval, die Jung kon weerstaan, ook de tweede en de derde keer; daarna
bleven de aanvallen voorgoed weg en had Jung zijn ‘neurose’ overwonnen:
‘Ik voelde me ineens veel beter dan ik me in maanden had gevoeld. De aanvallen
herhaalden zich inderdaad niet meer, en voortaan werkte ik elke dag aan
grammatica en aan andere vakken. Na een paar weken ging ik weer naar school, en
ook daar had ik geen aanvallen meer. De betovering was verbroken. Hieruit heb ik
geleerd wat een neurose is.’
Op zijn lange schoolweg naar Bazel had de twaalfjarige Carl nu opnieuw een belangrijke ervaring: ‘Plotseling kreeg ik het overweldigende gevoel dat ik zojuist uit een dichte nevel tevoorschijn was gekomen met het bewustzijn: nu ben ik... ik ervoer mezelf. Nu ben ik, nu besta ik ... Deze beleving leek me geweldig belangrijk en nieuw. Ik bezat nu ‘autoriteit.’ Jung beschrijft dan verder dat hoewel hij nog maar een schooljongen is, hij tegelijkertijd een autoriteit ervaart die ‘wat te zeggen heeft’. Hij benoemde dit als twee personen die hij aanduidde als Nr. 1 (de schooljongen) en Nr. 2 (de autoriteit). Eenzelfde verschijnsel had Jung vroeger al bij zijn moeder opgemerkt, namelijk dat er achter haar persoon Nr. 1 (de vrouw die overdag zorgzame moeder was) een heel andere autoriteit schuil ging, die hij persoon Nr. 2 noemde (de angstaanjagende persoon van de nacht). Dit verschijnsel van de twee personen komt veel mensen vreemd voor, maar het wordt algemeen erkend in de moderne psychiatrie. Men staat dus wel open voor een geestelijke werkelijkheid, die men immers niet kan loochenen, maar men kan niet inzien dat die ‘tweede persoon’ een boze geest is, die beschikt over grote kracht en autoriteit en die de ‘eerste persoon’ soms helemaal overvleugelt. De geest geeft de mens (en zijn therapeut) dan de illusie dat hij twee persoonlijkheden heeft, alsof hij een gespleten persoonlijkheid bezit: Gaandeweg werd Nr. 2 bij Jung steeds sterker, wat de jongen ervoer als een levendige fantasie. Steeds meer begon hij zich bezig te houden met de ‘eenheid en bovenmenselijkheid van God’ totdat, op een stralende zomerdag, de knaap een zogenaamde godservaring beleefde. Ook dat was een beslissend gebeuren, dat zijn hele leven en het beeld dat hij van God had, diepgaand zou beïnvloeden en bepalend zou worden voor heel zijn denken en al zijn levenswerk: ‘De wereld is mooi en de kerk is mooi, en God heeft dit alles geschapen en zit daarboven, ver weg in de blauwe hemel, op een troon van goud en - Hier kwam een hiaat en ik kreeg het gevoel te stikken. Ik stond als verlamd en wist alleen nog maar: Nu niet verder denken! Er komt nu iets verschrikkelijks, dat ik niet denken wil, waar ik helemaal niet aan mag komen. Waarom niet? Omdat ik de grootste zonde zou begaan. Wat is de grootste zonde? Moord? Nee, dat kan het niet zijn. De grootste zonde is die tegen de Heilige Geest; die wordt niet vergeven. Wie deze begaat is voor eeuwig in de hel verdoemd. Dat zou toch te erg zijn voor mijn ouders (...) dat kan ik hen niet aandoen. Ik mag hierover beslist niet verder denken! Enkele dagen en nachten wordt de knaap heen en weer geslingerd tussen ‘niet denken’ en ‘wel denken’: De derde nacht werd de kwelling zo groot, dat ik niet meer wist wat ik doen moest (...). Ik voelde dat mijn weerstand het begaf. Ik was nat van angst en ging rechtop in bed zitten om goed wakker te worden. Nu komt het, nu wordt het ernst! Ik moet denken. Daar moet ik eerst even over nadenken. Waarom moet ik iets denken wat ik niet weet? Wie wil me dwingen iets te denken dat ik niet weet en dat ik niet wil? Waar komt die verschrikkelijke wil vandaan? En waarom moet ik nu net daaraan onderworpen zijn? (...) Dat heb ik niet veroorzaakt en gewild. Het is over mij gekomen als een boze droom. Waar komen dit soort dingen vandaan? Het is mij gebeurd zonder mijn toedoen. Maar hoe dan?’ Nu nadert het beslissende moment waarop het kind Jung niet langer weerstand kon bieden aan zijn dwanggedachten, die hem beangstigen maar ook intrigeerden en uitdaagden. Al filosoferende trachtte hij een schuldige te vinden voor het feit dat hij die vreselijke gedachte wil denken, en komt dan tenslotte bij Adam en Eva uit: ‘En daarmee kwam ik tot de beslissende gedachte: Adam en Eva (...) zijn door God met opzet zó geschapen zoals ze waren. Ze hadden geen keus, ze moesten zo zijn zoals God hen geschapen had. Ze wisten zelf toch niet hoe ze anders hadden kunnen zijn. Ze waren volmaakte schepselen Gods, want alles wat Hij maakt is volmaakt, en toch hebben zij de eerste zonde begaan, omdat ze deden wat God niet wilde. Hoe was dat mogelijk? Zij hadden het niet eens kunnen doen als God de mogelijkheid niet in hen gelegd had. Dat blijkt ook al uit de slang, die God al vóór hen geschapen had, kennelijk met het doel Adam en Eva te verleiden. God in Zijn alwetendheid had alles zo beschikt, dat het eerste ouderpaar de zonde moest begaan. Het was dus de bedoeling van God dat ze moesten zondigen.’ In plaats dat hij terugschrok voor deze gedachte, die God verantwoordelijk hield voor de zondeval van de mens, omhelsde Jung dit denken uit het diepst van zijn hart: ‘Deze gedachte bevrijdde me meteen van de grootste kwelling, want ik wist nu dat God Zelf me in deze toestand had gebracht. Ik wist voorlopig niet of Hij daarmee bedoelde dat ik de zonde moest begaan, of nu juist niet. Ik dacht niet meer aan bidden om verlichting, want God had me tegen mijn wil in deze toestand gebracht, en me daarin zonder bijstand achtergelaten. Ik wist zeker dat ik naar Zijn wil en alleen een uitweg moest zoeken. Ik was er zeker van dat Hij deze wanhopig moeilijke situatie veroorzaakt had. Merkwaardig genoeg dacht ik geen moment dat dit een streek van de duivel zou zijn. Hij speelde toen in mijn denkwereld geen rol van betekenis (...). Zo twijfelde ik er niet aan dat het God was, die me zo beslissend op de proef stelde, en dat alles er nu op aankwam Hem goed te begrijpen (...) want het ging om mijn eeuwig zieleheil. God weet dat ik niet langer weerstand kan bieden, en Hij helpt me niet, hoewel ik op het punt sta de zonde te begaan waarvoor geen vergeving is. Gezien Zijn almacht zou Hij deze dwang makkelijk van me kunnen wegnemen. Hij doet dat echter niet (...). Zou het soms zó zijn, dat God wilde weten of ik aan Zijn wil zou gehoorzamen, hoewel mijn geloof en mijn eigen inzicht me daarvan afhouden met de angst voor hel en verdoemenis?! Dat zou het waarachtig kunnen zijn! (...) Ik kwam weer tot dezelfde conclusie: ‘God eist kennelijk ook moed van mij’, dacht ik. ‘Als dat zo is, dan zal Hij mij Zijn genade en verlichting schenken, als ik het doe.’ ‘Ik verzamelde al mijn moed alsof ik in het hellevuur moest springen, en liet de gedachte komen.’ Op deze wijze gaf de twaalfjarige bewust toe aan de dwang tot godslastering. Dat betekende een beleven van imitatie-genade, die door boze geesten wordt gegeven aan hen die zich van God afkeren en zich aan hem toewijden. Zelf ervoer hij dit echter als een speciale toewijding aan ‘God’, van veel meer waarde dan de toewijding van ‘traditionele christenen’ zoals zijn vader. Jung schrijft daarover: ‘Dat was het dus. Ik was geweldig opgelucht en had een gevoel van onbeschrijflijke verlossing. In plaats van de verwachte verdoemenis was er genade over mij gekomen, en daarmee een onuitsprekelijke zaligheid zoals ik nooit gekend had. Ik huilde van geluk en dankbaarheid dat Gods wijsheid en goedheid zich aan mij geopenbaard hadden, nadat ik Zijn onverbiddelijke strengheid had ondergaan. Dat gaf mij een gevoel of ik een mystieke verlichting had beleefd. Veel werd me duidelijk wat ik eerst niet had kunnen begrijpen. (...) God had Adam en Eva zó geschapen, dat ze moesten denken wat ze niet wilden denken. Hij deed dat om erachter te komen of ze gehoorzaam zijn. Zo kan Hij ook van mij iets verlangen wat ik vanuit de religieuze traditie zou willen afwijzen. Maar door te gehoorzamen heb ik de genade ontvangen, en sindsdien weet ik wat goddelijke genade is. Ik had ervaren dat ik aan God ben uitgeleverd, en dat het erop aankomt Zijn wil te vervullen. Anders was ik aan de verdwazing overgeleverd. (...) In die tijd heb ik mijn werkelijke verantwoordelijkheid leren kennen. De gedachte die ik moest denken vond ik verschrikkelijk, en ik kreeg het vermoeden dat God wellicht iets ontzettends was. Wat ik had meegemaakt was een vreselijk geheim, het was een angstaanjagende, duistere gebeurtenis voor mij. Zij wierp een schaduw over mijn leven en ik werd ernstig en nadenkend.’
De
noodlottige gevolgen
Deze
gebeurtenissen hebben ingrijpende gevolgen gehad voor het verdere leven van
Jung, waarin hij uitwerking heeft gegeven aan dit besef van ‘diepere
gehoorzaamheid’. Deze ‘diepere gehoorzaamheid’, of ‘radicale
toewijding’ is in wezen apostasie, dat wil zeggen een zich afkeren van
God. Wij moeten dan niet God en zijn Woord gehoorzaam zijn, maar gehoor geven
aan de stem in ons, die ons de weg der bevrijding, de genade toont: ‘Het is
gehoorzaamheid geweest die mij de genade heeft gebracht.’ Na deze
godslastering heeft de ‘geest uit de diepte’ zich vastgenesteld in Jung, en
die werkt in hem een ‘wisseling van paradigma’ (een geheel nieuwe manier
van denken) uit, die de grond vormt voor de moderne psychotherapie. Mensen in
nood, mensen in stress, zouden daar juist in zijn gekomen door vast te houden
aan tegenstellingen die onhoudbaar zijn. Wie tegen het kwade wil strijden, zal
merken dat het kwade hem steeds meer in zijn macht krijgt en hem tenslotte het
onderspit doet delven. Maar wanneer wij het kwade aanvaarden en leren
integreren, geeft dat een ontzaglijke verlichting, het brengt ons in een staat
van genade die anders onbereikbaar was gebleven, zo stelt men dan. Ook de
godsidee van Jung verandert helemaal. Daarin is God niet slechts de oorzaak van
het boze, van de zonde, maar ook van het lijden. Maar gaandeweg breekt het
inzicht door dat God medeslachtoffer is van het boze en dat ook Hij daaronder
lijdt. Daarmee wendt de mens zich van een godshaat tot een godsaanvaarding
vanuit een gevoel van solidariteit: wanneer wij onszelf helpen, helpen wij
tegelijk God, en daarmee onze medemensen.
Op
het gebied van de kennis opent zich voor Jung een heel nieuw venster: het zicht
op de esoterische wereld. Was Jungs eerste droom een vorm van inwijding, zijn
godslastering bracht hem een stroom van verborgen kennis, die de geesten hem
goeddeels door middel van dromen bijbrachten. In Jungs familie kwamen zes
predikanten voor, zodat hij heel wat preken heeft moeten aanhoren, waarvan hij
zegt: ‘Daarbij had ik altijd het gevoel: ja, ja, dat is allemaal prachtig.
Maar wat heeft (al dat preken) te maken met het geheim? Dat is toch óók het
geheim van de genade. Jullie weten daar niets van. Jullie weten niet dat God wil
dat ik zelfs het verkeerde doe en het vervloekte denk, om Zijn genade te
beleven.’ Alles wat de anderen zeiden miste de kern van de zaak. Hieruit
blijkt dat de esoterische ervaring Jung voorgoed heeft toegesloten voor alles
wat hem in deze wereld spreekt van de God van hemel en aarde en dat geldt
speciaal het venster van Gods openbaring, de Heilige Schrift. De bijbelverhalen
berokkenen hem uitgesproken weerzin, vanwege de talrijke en weinig
geloofwaardige wondervertellingen. Het bijbels geloof betitelde hij als
‘erfzonde’, omdat dat voorafgaat aan ervaring en niet daarop volgt.
Bijzonder typerend is het geheel nieuwe begrip van genade. Volgens Jung was de
zonde juist noodzakelijk geweest om tot de genade en het ‘hogere kennen’ te
geraken. Zo schrijft hij in een brief: ‘Het lijkt wel alsof er een geheime
verbinding bestaat tussen zonde en genade, alsof elke zonde ook het aspect van
de felix culpa draagt (een schuld die geluk brengt). Deze gedachte is
niet nieuw, hij werd uitdrukkelijk door de apostel Paulus bestreden met zulke
krachttermen als ‘dat zij verre’, ‘dat verhoede God’ (Rom. 6). Wel nieuw
is Jungs psychologische variant, waarbij de zonde een positieve lading krijgt en
het boze een onmisbare rol gaat spelen in de menselijke verlossing.
Het zal duidelijk zijn dat de psychologie van Jung niet alleen uit zijn eigen brein voortkomt, maar ook aspecten heeft die uit een veel duisterder bron komen. Hieruit volgt dat de psychologie van Jung geen voet aan de grond mag krijgen in de Gemeente van Christus.